maandag 23 augustus 2010

Ode aan de nacht

Kom, o Nacht, aloud en immer eender,
Nacht, onttroond geboren Koningin,
Nacht, gelijk inwendig aan de stilte, Nacht
Met klatergouden sterren snel verschietend
In uw kleed met franje van Oneindigheid.

Kom, zonder dat ik het zie,
Kom, zonder dat ik het voel,
Kom eenzaam, plechtig, handen hangend langs
Uw zijden, kom
En breng de verre bergen (licht bij de nabije bomen,
Versmelt tot één veld alle velden die ik zie)
Maak het gebergte tot een blok, één enkel, van uw lichaam,
Wis daarin uit alle verschillen die ik zie van verre,
Alle wegen die daarlangs omhoog gaan,
Alle vele bomen die het in de verte maken tot één donkergroen,
Alle witte huizen en met rook tussen de bomen,
En laat slechts één licht en nog een licht en nog een ander,
In de onscherpe en vaag verontrustende verte,
In de verte, opeens onmogelijk te begaan.

.../...

Kom, stille en extatische Nacht,
Kom en wikkel uw nachtwitte mantel
Om mijn hart ...
Sereen gelijk een bries in zwaarteloze namiddag,
Kalm als een liefkozend en moederlijk gebaar,
De sterren lichtend in uw handen
En de maan een masker van mysterie over uw gelaat.
Alle klanken klinken anders
Wanneer gij komt.
Wanneer gij binnentreedt dalen alle stemmen,
Niemand ziet u binnentreden.
Niemand weet wanneer ge zijt gekomen,
Tenzij plotseling, ziende dat alles in zich keert,
Dat alles lijn en kleur verliest,
En dat in de nog helder blauwe hoge hemel,
Duidelijke sikkel reeds, of witte schijf, of enkel een nieuw licht dat komt,

De maan tot werkelijkheid wordt.

(Fernando Pessoa)

Geen opmerkingen: