woensdag 21 september 2011

Onze droom te leven...

Onze droom te leven liep bevleugeld voor ons uit en wij hadden er een eendere en vreemde glimlach voor, afgesproken in onze zielen, zonder elkaar aan te kijken, zonder meer van elkaar te weten dan de gesteunde aanwezigheid van een arm tegen de aandacht vol overgave van de andere arm die hem voelde. Ons leven had geen innerlijk. Wij waren uitwendig en anderen. Wij kenden elkaar niet, alsof wij aan onze zielen waren verschenen na een reis door dromen.  

We waren de tijd vergeten en de immense ruimte was klein geworden voor onze aandacht. 
Achter die nabije bomen, die verre wijnstokkeri, die laatste bergen aan de kim, zou daar iets werkelijks zijn, iets dat de open blik waard was die men geeft aan de dingen die bestaan… In het wateruurwerk van onze onvolmaaktheid gaven regelmatige druppels droom irreële uren aan… Niets heeft zin, mijn verre lief, behalve de wetenschap hoe aangenaam het is te weten dat niets zin heeft…
De stilstaande beweging der bomen; de onrustige kalmte der bronnen; de ondefini eerbare adem van het innerlijke ritme der levenssappen; het langzarne schemeren der dingen, dat van binnenuit lijkt te komen om handen van geestelijke eensgezindheid te geven aan het verre triest worden, zo nabij aan de ziel, van de hoge stilte van de hemel; het vallen der bladeren, ritmisch en zinloos, druppels van mijmering, waarin het landschap alles is voor onze oren en triest wordt als een herinnerd vaderland in ons - dat alles omgordde ons onzeker als een gordel die loslaat. 

We beleefden daar een tijd die niet kon verlopen, een ruimte waarvan men niet hoefde te denken haar te kunnen meten. Een verlopen buiten de tijd, een uitgestrektheid die de wetten der realiteit in de ruimte niet kende… Wat voor uren, o zinloze metgezellin van mijn weerzin, wat voor uren van gelukkige rusteloosheid veinsden onze uren daar!… 

Uren van geestelijke as, dagen van ruimtelijk verlangen, innerlijke eeuwen van uiterlijk 
landschap… En wij vroegen ons niet af waarvoor dat alles was, want we genoten van de wetenschap dat het nergens voor was. 
(Fernando Pessoa)

1 opmerking:

Joost Lips zei

Goed om dit proza van Pessoa te lezen; ik herken er veel uit dat ik in gedichten van zijn hand heb gelezen; ontzaglijk hoe hij de woorden hiervoor kon vinden. Dank hiervoor; je hebt me aangemoedigd het Boek der Rusteloosheid weer in huis te gaan halen.